De aanraking.
Een woord. Een woord die het naar lucht happende gevoel moest onderschrijven. Of overschrijven, of onderstrepen. Een woord dat overeind bleef als je het wegblies. Een woord dat de rest van de zin overbodig maakte. Een woord dat zingeving gaf en niet klonk als het zoveelste woord dat zijn achterliggende gedachte niet kon waarmaken.
Maar we kwamen er niet op. We moesten het doen met dat lucide gevoel. Alles leek lichter, de omgeving transparant, de oevers van de rivier bedekt met mogelijkheden. We keken naar de bruggen, naar het water dat zich liet verplaatsen door het containerschip. We zochten naar een woord waar Rotterdam mee vooruit kon. Vervanging van de holle slogans en leuzen. Woorddansers, laat ons toch dansen en niet verzuchten.
We voelden ons aangeraakt en dat verwarde ons. Aangeraakt door een stad waar we toevallig kwamen. Wij wilden graag leven in een film, maar nu die film ons overspoelde, wilden we er weer uit. Die illusie konden wij helemaal niet aan. We werden heen en weer geslingerd door de magische fictie en de verontrustende realiteit. Daarom besloten we te blijven, omdat die twee samengevoegd moesten worden. Hoe langer we bleven hoe beter we iets dachten te weten.
We bleven omdat we steeds beter met een helikopter boven de stad konden vliegen, telkens weer op zoek naar iets dat ons opnieuw kon beroeren. Wars van cynisme, vol van betekenis. Kijk! Daar klimmen lijnmannetjes over olievaten. Kijk! Daar een stille optocht, een man zonder hart. Alles kon, niets was vanzelfsprekend. Rotterdam had ons aangeraakt, naar binnen getrokken. Wij voelden ons verbonden.
Dit ging niet over kunst, al zou het dat graag hebben gewild. Hierbij vergeleken was de kunst te tastbaar, een eindresultaat van gemaakte keuzes. Kunst had er slechts zijdelings mee te maken. Kunst was een bijprodukt, een halfprodukt. Zodra het zich uitkristalliseerde was het fluïde gevoel verdwenen, zei mijn vriend. “Alles is op gevoel, geloof slechts in de verbeelding, niet in de verbeelding van de verbeelding”.
Vanzelfsprekend ging dit over de liefde, zoals altijd over de liefde ging, een oase, een grenzeloze ruimte. Kunst kon die ruimte slechts innemen. Vertederend, twijfelend, moeizaam.
Bolle kunst. Altijd bol de ruimte innemend. Ja, dat kon de kunst als geen ander. Zich opblazend tot een Konijn Snoepfles, zich begevend in de illustere en dubbelzinnige wereld tussen kerstboom en erotiek. Wedijverend met de oliebollenkraam.
Niet doen, niet opblazen, niet dingen door elkaar heen gebruiken. Kunst en liefde altijd gescheiden houden. Dwaas die ik ben. Hol zijn wij sinds wij bewoners zijn. Niets was er werkelijk veranderd. Holle Bolle Gijs. Altijd op zoek naar meer. Het meer van verlangen. Stupide bezigheid. Daar was de stad niet mee gebaat.
Ik sprong van het verleden naar het heden. Maar de toekomst ging mij een stap te ver. Terwijl het de reden was dat we bleven in Rotterdam durfde ik daar nauwelijks aan te denken. De krachten kregen een verbetenheid, een Jonasstaaliaanse bitterheid waar ik mijn pen niet in wilde dopen. Ik wilde dromen, maar droomde slecht.
Zij wel, de anderen. Jij en ik en de anderen, het samen dat wij vormden. Wij discussieerden graag over de stad. Over de taal waarin wij gevat werden in opbouwplannen, revitalisatiemomenten en afbraakneigingen. En de toekomst die soms te spannend was voor woorden. Ik wendde mijn hoofd dan af, of hield mijn hoofd in mijn handen. Jij en ik en de liefde. Dat was duidelijk. Maar de anderen waren onverbiddelijk. Zonder blozende blikken zeiden ze dat het later pas concreet zou worden. Daar in de onbekende tijdlijn zou de liefde wel overstromen in kunst, in verbeelding, in aanknopingspunten en vertellingen. Voor je het weet had de liefde een verleden, een wirwar aan zoetigheden. Alles gehuld in een stokroze installatie. Met gierende uithalen en plastische momenten. De toekomst was aan de kunst. Kunst was een groots gebaar. De liefde was slechts een achteloze aanraking met grote gevolgen. Of andersom. In welke verwarring kwam ik het beste tot mijn recht? Kon de liefde ongebreideld zijn, veelvormig en meertalig? En concurreren met een toekomst die geen achteloosheid meer duldde? Of moesten we op zoek naar nieuwe beelden, een nieuwe taal, een nieuwe vertaling? Ook de liefde leed aan een toekomstige beeldenstorm, zeiden zij
We wilden niet bang zijn, niet voor een driekleur, niet voor een wolf zonder schaapskleren. Met de erfenis van Edward Albee, met de erfenis van Barnett Newman. Met de erfenis van een verleden met de hoogtepunten van de dieptepunten. So fucking not afraid am I.
Niet voor de sympathisanten die allengs verder oprukten. Niet bang zouden we zijn. We zouden klein blijven. Dan konden we als het moest het verzet in. De anoniemen deden het altijd beter dan de gelouterden. De grote woorden sparend voor ons sterfbed. In een eeuwigdurende monoloog.. Hadden we net alles in de afgelopen zestig jaar zo zorgvuldig opgebouwd….De tragiek van een verleden trok ons de toekomst in.
oppassen moesten wij, waakzaam, niet laten meeslepen door oral history. Dat zou slechts grootstedelijke literatuur opleveren. Kaleidoscopische verkenningen. We moesten ons niet laten verleiden tot overgave. De wonderbomen speelden in de betoverende bioscoop met uitzicht over onze stad. Waar zij zomaar waren komen aanwaaien, als heersers over een onwankelbare waarheid. De waarheid van de fictie maakte alles onschadelijk, behalve de werkelijkheid.
Overgave was gelijk een overdosis.
Wij, jij en ik, konden ons niet verliezen in een fictieve werkelijkheid. Mochten ons niet verliezen. Kunst was een placebo, de overgave het effect.
Maar de spagaat was niet goed voor mijn lichaam. Hoe kon ik gulzig en bescheiden tegelijk zijn? Ik wilde luchtig zijn, opgewekt en stralend. Maar alles werd stront. Het riool stokte immers de laatste tijd. Twee keer doortrekken was onze dagelijkse gewoonte geworden. Dat was een tijding. Onheilspellend getijde van wijkende en stromende lichaamssappen. Het moest blijven stromen onder de grond. Daar moesten wij, kunstenaars, voor blijven zorgen. De politiek sprak over een humuslaag, die zo nu en dan wat bewaterd moest worden, maar wij moesten lager, ondergrondser, daar waar nieuwe revoluties startten. Een hoger doel, ideaal, tegenstand. We behingen ons ondergrondse hol met fluweel.
Daar leefden wij van op. Dat hadden we nodig. Olifantenstront. Nodig om de wereld te verklaren, nodig om de pispot te overtreffen. De k van kak. Van alles dat zich veruitwendigde. Grote k, kleine k. Alles van waarde werd weerloos. Waren wij niet allen kansloos? Kansloos nog voor het beginsignaal had geklonken? Hoe diep moesten wij door onze knieën..meegaan in de taal die de onze niet was, verder onder de grond?
Ik zag mijzelf al liggen, in die lagune der Fabriaanse fecaliën. Welk een horreur, welk een drama. Nee.
De liefde moest bovengronds beleden worden. Op zoek naar een nieuw hervonden paradijs, waar wij naakt door de cascades konden baden. Wij hadden licht nodig. En snel.
Aanraking. Ik kreeg nog net geen beroerte. Dat sidderend mijn lichaam betastte. Die handen op een doordeweekse dag zonder einde. Waar moest ik ook heen? Jij sloeg alles wat jij had om mij heen. De onuitputtelijke stad had mij uitgeput.
De verlamming, de totale verlamming. En ik, die tot dan toe uitgekiend geleefd had, moest mij vereenzelvigen met de taal die woord noch beeld kende. Ging het maar over kunst. Dat had het allemaal een stuk gemakkelijker gemaakt. Kunst leek ineens een handzaam plaatjesboek. Een manuaal. Iets met een onderschrift en een rood plakkertje. Terwijl alleen de gedachte alleen al wat het allemaal nog meer zou kunnen zijn mij razend maakte. Ik moest opnieuw kijken. Opnieuw naar Boymans en uren makend achter de Toren van Babel. Een volk, een taal, was dat niet het ideaal? Ooit. Hoe? Waarom? Wanneer?
Handen sloegen mij op de borst. Sterf niet! Of nee, sterf liever toch. Dat was in ieder geval lekker concreet. Goed te vatten in verf of hout. Ja, aan een kruis, maak de verhalen maar. Het liefst lekker vet. Tropisch hardhout is een prachtig decor. Prijzig maar de moeite waard.
Ik had zoveel tweederangs film gezien dat alle kruizen mij per definitie doodsloegen. Haak of niet. Kapitein of niet. Een grafveld met honderden anonieme kruizen van anonieme soldaten. Zelfs een wederopstanding was te veel gesteven blazoen. Het liefst maakte ik de schedels collectible, twinkelend in een ondergaande zon. Duizend bommen en granaten. De banale laatste woorden in diamant uitgemetseld. En opgetekend en opgerold in dode zee. In Heimlich-greep gevangen. Beschermd tegen het sterven. Stenen tabletten op recept. Ook als ze nep zijn zou ik ze innemen. Wat is er mis met schijndood?
Sterven duurt soms eeuwig. Jullie hielden mij tegen. Jullie zeiden: geloof, blijf altijd geloven in de maakbaarheid. In de toekomst van een stad, omwikkeld en opgevangen door de kunst. Ik huiverde. Hoeveel trappen moest ik op ? Om alleen maar weer te vallen in een moment van Eisenstein? Immer doorrollend?
Natuurlijk moest ik de toren beklimmen. Ik had geen keus. Afdalen en opstijgen waren zo met elkaar verbonden. Ik nam de lift met muzak en beklom op die gemakzuchtige wijze een vijftig jaar oude mast. Rotterdam, bedekt in de wasem van velen, gezien vanuit een Jan de Bouvrie interieur.
Ik sprak in tongen, snakte naar eenkennigheid, maar wist dat onbegrepen zijn het beste was voor iedereen. Onbegrepen voelen was de marge naderen, de markering van de veilige zone.
Hoe kon ik de taal terugvorderen die mij was afgenomen door een simpele aanraking? Ik had iets nodig. Meer dan mijn lichaam, dat mij teder was, maar gebrekkig voortschreed en figureerde in wankele performance. Het geslacht bungelde, het hamerde en haperde. Het maakte mij kwetsbaar en kon niets anders dan vrezen. Vrezen dat het voorgeslacht zich opnieuw moest bewijzen. En met welke soundbites zouden zij de harten vervolgens veroveren?
Ik wilde de aanraking herbeleven, maar jullie hielden mij tegen. Ik had geen kaartje, geen reductie, geen recht op gratis taal. Ook niet als het mij paste. Ook niet als het voor mij geschreven was. In welke Houdini-truc wilde ik leven, om mij toegang te verschaffen tot het klip en klare? Tot de taal van Jip en Janneke? Geef mij de kunst, laat mij leven in een herschepping, riep ik hen. Maar het was te laat. De laatste geldgever had zich afgewend en mompelde met verschoten gelaat: “Dit had ik niet kunnen weten, hoe had ik dit kunnen weten?”. Iedereen bloosde. Iedereen. Ook jij, ook ik, mijn vriend, zij, de anderen. Wij allemaal.
De kunst stond mij tegen. Het beschreven blad kon omgeslagen worden. Door op de voorgeslagen weg. Geplaveid met wissewasjes en ongebreideld verlangen. Kunst was het idioom die voortstrompelde naar weer een volgende opleving. In haar as omwentelend en zo langzaam verder marginaliserend. We huppelden vrolijk achter elkaar aan, in polonaise de graftombe in. We liepen op de trappen van Escher en hadden geen benul. Geen enkel benul. En de stad, ons Rotterdam, bouwden verder aan de barricades. Steeds hoger, tot aan de wolken. Eén taal, één ideaal? Wie klom er. Wie daalde er? Tot hoever was men bereid te gaan?
Verlangen naar de aanraking. Goddeloos en puur. Het ging allang niet meer om kunst. Ik wilde alleen nog maar aangeraakt worden. Aangeraakt door hartstochtelijke liefde.
Zij noemden zich mijn vrienden. Zij beschermden mij voor dat wat ze vreesden. Dat het niet meer om kunst zou gaan. Maar om iets echts. Om een stad, om Rotterdam. Zij noemden dat zelfbescherming. Moedeloze honing. Mijn mond snoeren? Mijn lichaam inpakken in iets dat meer was dan pek en veren. Vilten doeken kreeg ik om. De hoofdtooi kreeg ik om. Nachtburgemeester. Koning van het niets. De koning van een wereld die er niet toe deed. We deden het haardvuur aan en verwarmden ons aan het licht. Zij zongen liedjes en streelden de meisjes. Het maakte allemaal niets uit, het zoet was nu, de toekomst was een papieren werkelijkheid, ingebed in onheilsgrafieken en tendentieuze extrapolaties. Who cares?
En alles herhaalde zich. Wij zouden warrig zijn, wij zouden stom en doof zijn, wij zouden opgevoed worden door wolven. Wij zouden een nieuwe taal willen creëren die alleen stond. Die geen vergelijking duldde. Die zich niet liet opwinden, vertalen, verduisteren, roosteren, romige taal van het ongelijk. De taal van de aanraking. De taal van de liefde. Die geen bolhoed toeliet. Die geen vilten haas verschalkte, die geen zelfportret kon ontleden. Geen spiegels, geen tegenstand, geen vijand, geen vriend. Alles bestond uit liefde en de liefde bestond uit niets. In die toestand was de kunst slechts een gebaar, meer niet. Het verleden zou in regende bommen terugkomen, het hart opnieuw willen verbrijzelen. En wij, wat deden wij ondertussen?
wij durfden de liefde niet te erkennen,wij roemden Bosch en Bilderdijk. We beschreven oorlogen in pasteltinten en in vaardig geschilderde verkrachtingen. Opland en Kopland. Het Armandozwart wapperde. Het Opalkawit onthutste. Maar geen enkele pigment bleek kleurvast. Zij waren ziedend en zeiden: “ probeer het roze, probeer het oranje, probeer het magenta”. Het zou ondoenbaar blijken de verliefde blik in kleuren te vangen. De gedichten verbleekten, de tonen vergrauwden, het onzegbare moest het doen met arrenmoede goedkope vertelsels. En dan die jonge sla. Weggevroten. Volledig weggevroten door de hazen. Door de wolven. Nee.
Eendracht maakt macht. Wie fluisterde dat nog? Wie durfde dat nog hardop te zeggen?
De kunst kwam aanzetten in maatpakken en esthetische overalls. De kunstenaar hoereerde en figureerde, de kunst bleef bol hoe uitgehold het ook werd. Rotterdamse kunstenaars wisten dat zij een onbegonnen begin hadden gemaakt met een moedeloos gebaar. Niemand zou over hen twisten, niemand zou naar hen kijken, niemand zou meer verwachten dan wat soundbites. Al heel wat. Al heel wat. En iedereen zou meedoen. Rotterdam kleurde in Hofmans blauw en zocht naarstig naar het toermalijnen kristal. En daar, op dat moment dat de ruimte zich uitbundig liet inpakken door de materie van het gewisse, daar was het ineens. Boven op die toren, waarvan de kroon een bank was. Waar dé bank was ingewisseld door een willekeurige andere bank.
Ineens.
De aanraking. De liefde. Ontstegen van elke vorm of gedachte. Ontdaan van idee of kleur. Ontregelend. Ontvoerd van elke wereldlijke en stoffelijke gedaante. Ik ontdeed mij van mijn kunstmarinierspak, nam jou in mijn armen en zo wandelden wij naakt door het park aan de wortel van de Euromast. Jij en ik en de hele godganse liefde, schreidend door de cascades. Jij leunde tegen de appels van het Heemraadspark, zocht verkoeling in de Hofpleinvijver.
Wij wisten dat wij ons moesten gaan verzamelen, verzamelen in de krochten van het paradijs. Om de stad te redden. De stad te herijken, de stad te herscheppen. Terug de holen in om opnieuw tevoorschijn te komen. En wij zouden opnieuw omhoogkruipen vanuit de modder, langs de oevers, als lijnmannetjes langs olievaten. Jij en ik. De liefde en de kunst. Of hoe we het ook wilden noemen.
maandag 24 mei 2010
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen